Dido Dido is waanzinnig goed. Ontroerend van begin tot einde, en zelfs adembenemend aan het slot. Dit luister-dansstuk is een gedurfde en tegelijk respectvolle muzikale en choreografische operatie: Purcells aria Dido’s lament wordt met zorg opengeknipt, versnipperd en opnieuw samengesteld. Er wordt nieuw leven in geblazen, alleen voor heel even, zodat we in stilte Dido’s uitgestrekte, vanuit verschillende perspectieven bewerkte sterven op het podium mogen herbeleven.

Het begint met het observeren van een beeld. Een schilderij van een wilde zee, dat in licht ademt. We zien het tot leven komen en de tijd wordt ons gegund om dit in-leven-zijn te ervaren: nu zie je weer een nieuw rimpel op het zand, dan valt je oog op het schuim dat je daarvoor niet had gezien, die er aanvankelijk niet eens leek te zijn, etc. We ademen een poosje met het schilderij mee en zo mogen ook wij in alle rust in het hier en nu belanden: terwijl het beeld ontwaakt, groeit de afstand tussen ons en al dat we buiten de zaal achter hebben gelaten. Een quasi-energetische introductie die ons eraan herinnert dat theater en dans oorspronkelijk een rituele, sociaal helende en zelfs magische functie hadden. De spelers kijken met ons mee, zittend op een eerste rij stoelen op podiumniveau, met hun rug naar ons toe.

Als het schilderij plots wegvalt en de spelers nu de stoelen omdraaien om in het licht te gaan zitten kan het spel beginnen. En wat een spel! Wat een overgave, en wat een schoonheid. Aan het voortouw: een tevens zangende danseres, vijf tevens dansende muzikanten en een marionet – die aan het einde van het stuk zal bewijzen dat “niemand zo goed sterft als een pop”, in woorden van haar maker Ulrike Quade.

De samenwerking tussen Quade, Nicole Beutler, dirigent Romain Bischoff en de performers is gedrenkt in respectvolle liefde en tederheid. Voor Dido, voor haar keuze en voor Purcell’s partituur. Het “remember me” van het lied wordt in DIDO DIDO een letterlijk proces van re-membering onder toezicht van een choreografe die best wel meester van revisitation genoemd mag worden. Met haar analytische, ogenschijnlijk koude toepassing van choreografische methoden snijdt Nicole Beutler door dansstukken, liederen of thema’s van een ver verleden of van vandaag. Ze gaat als een archeologe te werk en zo leren we samen met haar opnieuw naar iets kijken, of leren we het anders kennen. Eerdere voorbeelden van deze manier van doen: Beutlers “Dialogues with Lucinda”, “Les Sylphides” of het meest recente “Triple Moon” waar het vrouw-zijn in drie verschillende generaties onder haar loep viel.

In DIDO DIDO klinkt Dido’s klaagzang niet alleen als een mooi uitgevoerde aria van het barok, maar als een abstracte, hedendaagse klaagzang die merg en been laat huiveren. De makers doen dit op een slimme wijze. De keuze voor sommige specifieke windinstrumenten is briljant en draagt bij aan de intensiteit van de voorstelling – dirigent Bischoff beschrijft ze als instrumenten waar je de ademhaling hoort, waar deze deel uitmaakt van het tot leven wekken van de muziek – en choreografisch gezien gaat ook Beutler slim te werk. Het is bijvoorbeeld niet gemakkelijk om niet-bewegers samen met een danseres op het podium te laten dansen zonder dat de focus verplaatst naar het verschil in technische vaardigheden. Hier wordt het fysiek bewegen van de muzikanten dan ook voornamelijk gebruikt om ritmische structuren via body-percussion te creëren of als een vorm van steun voor het bewegen van de danseres: terwijl zij rijkere bewegingsmogelijkheden onderzoekt en uitvoert loopt de rest om haar heen, reagerend op haar doen en laten via kleine interacties met haar lijf of door het echoën van haar impulsen. In deze momenten is een zekere mate van ongemak bij de muzikanten – of bij de danseres als ze de marionet moet behandelen – alsnog zichtbaar, maar deze kwetsbaarheid hoort naar mijn idee bij een stuk die verschillende podiumkunsten samen laat smelten met een gedeeld en uiteindelijk behaald doel. Bovendien zien we het lijf van de spelers weer soepel worden en natuurlijk meebewegen in het uitvoeren van hun kunst zo vroeg als ze weer het instrument mogen bespelen dat hun eigen is.

Och, Dido… wat ben je toch in eer en schoonheid heen mogen gaan dit maal. Een echte aanrader.

Jordi Ribot Thunnissen

(picture: Anja Beutler)